Het was stil in het bos. Zelfs de wind leek vanacht te slapen. Totdat... Een haas stoof weg langs een grashalm en sprong daarna over een oudeboomstronk. Yuko rende achter het beest aan. Hij trapte de grashalm fijn en sprong met een soepele beweging over diezelfde boomstronk. Zijn voorpoten landde licht in een modderpoel en lieten twee pootafdrukken achter. Yuko rende ondertussen verder. Hij wijkte af naar links, zo zou hij de haas kunnen afsnijden. Anders bleven ze rennen, tot ze alletwee uitgeput neer vielen. Op zijn allersnelst sprintte hij tussen de bomen door. Tot hij plotseling stil stond. Hij spitste zijn oren en snoof. In het donker leken zijn gehoor en reuk vele malen beter te werken dan bij daglicht. Alleen zijn ogen deden het minder goed. Die fonkelde nu als vuurvliegjes in zijn oogkassen. Even plotsseling als hij gestopt was, sprong hij nu in een paar struiken. Hij voelde hoe de doornen schrammen in zijn huid maakte, maar trok zich daar niets van aan. Yuko sprong weer uit het struikgewas, maar dit keer had hij de haas in zijn bek. Hij grijnsde en ging rustig liggen naast een grote eik. Daar at hij het dier op. Jagen ging al steeds beter. Het duurde even voor Yuko een nieuwe jachttechniek had ontwikkeld. Eentje waarbij je geen roedel nodig had. Want die was hij kwijt, voorgoed. Yuko likte het laatste botje schoon en legde daarna zijn kop op zijn poten en sloot zijn ogen. Met een tevreden grijns op zijn snuit sliep hij in.
Lanzaam opende Yuko zijn ogen. Hij ging zitten en keek om zich heen. Tussen de silhouetten van de bomen door, zag hij een grijsblauwe strook aan de horizon. Dit zou betekenen dat er gauw een nieuwe zon op kwam. Ook een aantal vogels hadden dit al gemerkt. Die waren begonnen aan hun ochtendlied. Yuko wist dat het niet lang meer zou duren voor er door het hele bos dit gezang schalde. Hij stond op en besloot even rustig rond te lopen. Niet jagen, rennen, vluchten of verstoppen. Alleen lopen. Dat was het enige waar hij nu behoefte aan had.